SchRattig

by redactie on January 19, 2012

Post image for SchRattig

Mamma, mag het alsjeblieieieieieft?”…De spreekbeurt van een klasgenootje was de reden dat mijn zoon perse een hamster wilde. Matthijs, vriend van de familie,  was de reden dat die hamster er niet kwam: “Een hamster,” zo was zijn redernatie, “beweegt vooral ’s nachts, knaagt aan alles, bijt ook, en eenmaal ontsnapt is zoek ook echt zoek. Je kan beter iets nemen waar hij echt mee kan knuffelen.”  Ik was het gelijk helemaal eens met Matthijs!

Veel beter” zo voegde hij er aan toe “is een rat!”….Ik bleef even stil, slikte en vroeg toen zo beleefd mogelijk of ie soms een gaatje te veel in zijn hoofd had. Een rat komt er bij mij never nooit niet in! Geen kans!!! “Een rat” zo vervolgde Matthijs “laat zich aaien, leert je kennen, reageert op je, loopt gezellig rond en gaat dan zelf terug naar de kooi, je kan hem serieus gezellig in een wagentje zetten en er mee uit wandelen gaan!” Ik sprak een paar dagen niet met Matthijs en  mijn zoon bleef zeuren om een huisdier voor op zijn kamer. (De hond en het konijn –officieel van zijn zussen- telden volgens hem niet mee.)

De tammen brengen helemaal geen ziektes over, dat is een fabel. En bovendien zorgt hun aanwezigheid voor het vertrekken van muizen”… Ik liep inmiddels met het hele gezin en Matthijs over de reptielen- en knaagdieren beurs. Alleen om te kijken!! Zoon keek zijn ogen uit. Ik verbaasde me over het verschil in status tussen de ingevroren baby-ratjes per kilo in een zak (voer voor de slangen, brr) en de huisdierratten voor wie kooien als paleizen uitgestald stonden. We bleven staan kijken bij een nest Dombo ratten, kleine beestjes met overdreven grote oren en een  hoog smeltgehalte. “Weet je wat nog leuker is dan een rat?” vroeg Matthijs. “Twee ratten! Het zijn zeer sociale diertjes”

Je hebt WAT in huis?” …Mijn moeder was niet de enige die zo reageerde. En al gauw werd het gewoonte om te zeggen dat we langstaartkonijnen in huis hadden in plaats van het over onze ratten te hebben. Al op dag één was er natuurlijk eentje ontsnapt en kwijt en omdat ze net in een nieuwe omgeving nog helemaal niet zo honkvast zijn als Matthijs had beloofd, moest de hele kamer doorzocht. Manlief (waar waren we toch zonder mannen) ging met zijn arm ver achter de verwarmingsbuizen en achter de kast om het dier te pakken, terwijl ik op de gang zat om te zorgen dat  de deur echt goed dicht bleef en visualiseerde  hoe het beest straks onverwacht teruggevonden zou worden onder mijn hoofdkussen of  hoe ik hem ‘s nacht ineens bij mijn voeteind aan mijn tenen zou voelen knabbelen. Het mormel werd gelukkig voor het donker teruggevonden en bij zijn vriendje in de kooi teruggeplaatst. Om mijn haatgevoelens naar de mini bontvoorraad aan te wakkeren besloten de kinderen – geïnspireerd door een of andere film – naast Lucky de andere rat de naam Schurfie te geven.

Ik kan hier nu niet weglopen want ik sta de ratten te badderen”…In het zwijgen van mijn zus aan de andere kant van de lijn hoorde  ik het ongeloof en afgrijzen keihard doorklinken en ik vroeg mezelf ook serieus af hoe ik hier terecht was gekomen. Maar ja, volgens Matthijs zijn de beesten gek op water en dus stopt zoonlief ze in bad; in een klein laagje water vermaken ze zich uitstekend. Ik blijf graag in de buurt om te zorgen dat er niets fout gaat en om naderhand het bad chemisch te reinigen. Zelf aanraken doe ik ze niet , maar ik vind het aandoenlijk te zien hoe zoonlief steeds makkelijker en vertrouwelijker met ze om gaat. Ik houd rekening met ze als ik de zolder zuig, omdat ze daar nogal onrustig van worden. Beloon ze naderhand steevast met een extra lekker snoepje dat ik door de tralies –contactvrij- in de kooi laat vallen. En alles wat beneden overblijft aan eten en gezond voor ze is, mag gedoseerd mee naar boven om van te laten knabbelen.

Dat was mijn spreekbeurt”… Zoonlief glundert, natuurlijk ging zijn spreekbeurt over ratten en natuurlijk mochten die in het kleine reismandje even mee de klas in. Ze hebben zich voorbeeldig gedragen en ik bleef erbij om ze na de spreekbeurt weer mee naar huis te nemen. Terwijl zoon ze in het reismandje terugstopt, drukt hij me op het hart ze thuis wel in de grote kooi te laten, anders is het wel zielig zo’n hele dag. Daar sta ik bij de grote kooi en houd het reismandje een beetje schuin boven de opening… ik schud lichtjes wat… ik wacht…maar hoe lang ik ook wacht ze blijven in het kleine reishokje zitten en kruipen alleen maar verder naar achter in plaats van dat ze eruit lopen danwel eruit vallen de grote kooi in. Zelfs iets harder schudden en iets schuiner houden helpt niet. Het is elf uur ’s ochtends.. de eerste uren zal er niemand langskomen… ik kan zo niet blijven staan. “Niet bang zijn..dat ruiken ze” denk ik en steek mijn hand de kooi in. Met de verwachting ieder moment gebeten te zullen worden grijp ik op de tast, terwijl ik met mijn liefste stem zo vast mogelijk “kom maar hier” tegen ze mompel. Ik heb hem, maar heb hem van de schik ook alweer losgelaten. De tweede keer heb ik hem goed beet. Hij houdt zich heel stijf, alsof hij in de startblokken zit weg te schieten of me aan te vallen. Ik zet hem (ok hij valt half uit mijn handen) in de grote kooi. Dat is één. Dan nummer twee. Heel beheerst, anders glipt ie straks ook zo eng uit mijn handen. Wel opschieten, want de grote kooi is open voor je het weet is de eerste er weer uit geklommen voor ik de tweede erbij heb gezet. Hij beweegt ineens terwijl ik hem vasthoud en om hem niet te laten vallen druk ik hem gauw tegen mijn bovenlijf aan. Daar zit hij rustig. Ik adem uit. Het valt reuze mee, spreek ik mezelf moed in. Met mijn kin ver naar beneden kan ik hem net zien. Voorzichtig aai ik hem over zijn koppetje. Gaat goed…gaat goed.. Ineens kruipt het beest omhoog mijn nek in. Ik voel zijn snuit kriebelen en ik voel zijn nageltjes in mijn hals. Het klamme zweet breekt me uit. Ik zie al voor me hoe hij straks in mijn nek bijt. Straks vinden ze me hier naast de kooi met een slagaderlijke bloeding en aangevreten door twee ratten. Mooie krantenkop, dat wel…Zijn staart, enorm lang, voel ik lang mijn hals glibberen, Ik overweeg te gillen maar niemand zal me horen en mijn nekaderen span ik nu liever niet te duidelijk aan. Ik verman me. Adem uit, buig mijn hoofd iets de andere kant op en pak hem uit mijn nek. Na wat licht getrek laten zijn pootjes mijn shirt los en op de een of andere manier zit hij dan toch even later in de kooi.

Hij is zo duf, dat is toch niet gewoon. Kan de dierenarts daar dan niet iets aan doen?” Ik ben met Matthijs in gesprek die mij vertelt dat ze maar gemiddeld2 a 3  jaar oud worden en dat het dus kan dat het zo ineens voorbij is. Een dierenarts heeft weinig zin zo schat hij in. Het is al wat later op de avond. Zoon moest eigenlijk zijn bed in en ik moest me voorbereiden op een belangrijk bezoek aan Den Haag de volgende dag. In plaats daarvan zitten we nu samen naast de kooi op de grond, Lucky op zijn schoot. Ik aai het diertje. Een rare bobbel op zijn rug. In zachte bewoordingen maak ik mijn zoon duidelijk dat er weinig hoop voor het beestje is.

Bewaar je tranen maar voor later” zo trooste mijn moeder en tante mij toen op mijn verjaardag mijn  poes op straat werd doodgereden. (een rotadvies waardoor ik inmiddels dus met een enorm traanvochtoverschot zit.) Oma, die toch een dochter door vijandelijk vuur verloor in de oorlog, was milder. Verdriet om dit soort dingen mag.  Mijn zoon mag huilen, dicht tegen me aan, licht snikkend, praten we samen zachtjes tegen het langstaartkonijntje en tegen elkaar. Over hoe het steeds vertrouwder werd, hij makkelijker los kon, hoe zelfs ík hem steeds liever vond en vaker op schoot had. Hoe we tante en andere visite lieten schrikken door de ratjes los te laten of ineens uit een vest tevoorschijn te toveren. Over het playmobil schip dat ze als speelhuis gebruikten. Zoon is moe en ik mag minibontje vasthouden. En terwijl zoonlief tegen me aan leunend in slaap valt, aai ik Lucky, die aan zijn gehijg te horen alles behalve gelukkig is. Ik zie zijn kleine pootjes, waarmee hij zo schattig iets te eten aan kon pakken en zijn snuitje kon poetsen. Ik zie die afschuwelijk lange staart, die me in het begin zo deed gruwelen. Ik weet niet hoe lang ik zo heb gezeten, wel dat na erg hyperig ademhalen, waar ik het bijna zelf benauwd van kreeg, het diertje iets rustiger ging ademen. Na lang wachten heb ik hem op zijn doekjes in de kooi gelegd. En zoonlief in bed getild. Voor het naar beneden gaan aaide ik Lucky nog een keer over zijn kleine rattenkoppie. Ik vreesde het ergste.

Hij zit bovenin de kooi en eet weer !” Zoon kon de volgende ochtend zijn geluk niet op en ik mijn ogen niet geloven. Een stuk kwieker liep het beestje inderdaad weer rond. Maar zijn ademhaling was nog raar pieperig en hij maakte vreemde geluidjes af en toe. Toch hield hij zich aardig. Een paar dagen was het nog twijfelachtig en de avonden werden zorgzaam doorgebracht.

Het is gebeurd lieverd”. Ik kom zoonlief wekken om naar school te gaan en zie dat kleine Luck met de pootjes omhoog ligt. De zussen komen ook naar boven, willen het zien. Mijn angst dat ze het misschien eng vinden is onterecht. Ik zelf huiver wel een beetje. Ik moet hem er straks uithalen; beloof hem in een doosje te doen om later in de tuin te begraven. Manlief is al vroeg vertrokken vanmorgen (aan mannen heb je ook niets) en na een versnelde schoolrun, waardoor toch iedereen nog net op tijd op school was (met een snel afgedrukte foto van ‘de rat die ooit was’) ga ik met een doosje naar boven. Ik wil het voor zoon zo mooi mogelijk maken, drapeer de doekjes netjes in de doos voor ik hem erin leg. Hij is nog helemaal stijf. Voorzichtig leg ik hem in de doos, maar zijn enorme lange staart is volledig gefixeerd. Even twijfel ik. Met geweld ombuigen? Afknippen? Gat in de doos? Ik zou wel willen opzoeken op internet hoelang een lijk stijf blijft, maar zo’n zoekopdracht kan altijd nog weer tegen je gebruikt worden. ‘s Middags blijkt het probleem zelfoplossend en de staart alweer buigbaar te zijn. Samen met de sniffende kinderen wordt hij officieel in de tuin begraven. Twee jaar, ik realiseer me wat er kan veranderen in twee jaar, hoe dingen binnen twee jaar kunnen komen en gaan. Overwinnen, hechten, loslaten. En één van de bewaarde tranen besluit, al dan niet geheel oprecht voor meneer rat, dat later best even nu kan zijn.

Over een paar weken graven we hem weer op hè, mam?” vraagt zesjarige dochter. Dan kunnen we zien of het net zo gaat als met het konijn in het Museonder op de Veluwe. (Daar is in het museum  de ontbinding van het konijn in verschillende stadia te zien). Ik hoor mezelf denken: “opgraven? Never nooit niet. Ikke niet!! Als ze dat al willen doen ze dat maar met een ander.” Even later bel ik dus Matthijs, of hij het misschien leuk vindt om over een paar weken gezellig een kop koffie te komen drinken…

Share

Leave a Comment

*

Previous post:

Next post: